
Sassenheim – Zeyad al-Kabra groeide op in Oost-Damascus, met een Palestijnse vader en een moeder met wortels in de Balkan. Het uitbreken van de oorlog deed zijn gevoel van thuis in Syrië verdwijnen. Samen met twee zussen vluchtte hij naar Europa, zijn reis eindigde in Sassenheim.
Vluchtelingen in de Bollenstreek:
De komende drie maanden publiceert de Bollenstreek Omroep iedere zaterdag een portret van iemand die vanwege oorlog, armoede, onderdrukking of ander geweld naar Nederland is gevlucht. De serie wordt gemaakt in samenwerking met Vluchtelingenwerk, in aanloop naar 20 juni, de Dag van de Vluchteling. Om een gezicht te geven aan de vluchtelingen die wonen in de Bollenstreek.
‘In Syrië had ik eigenlijk altijd al het gevoel: dit is niet mijn land. Mijn vader vluchtte als zevenjarig jongetje met zijn familie uit Palestina, na de Nakba in 1948. De ouders van mijn moeder vluchtten in de jaren twintig uit Kosovo naar Syrië. Ze belandden beiden in het oosten van de hoofdstad Damascus, waar mijn ouders elkaar ontmoetten.
Daar ben ik zelf ook opgegroeid, samen met mijn vijf zussen. Er was een grote Palestijnse gemeenschap en we gingen naar een Palestijnse school. Van kleins af aan hoorde ik daar al de verhalen over Palestina, net zoals thuis van mijn vader en opa. Ik hoorde over de stad waar zij vandaan komen en ik kreeg natuurlijk het eten en de tradities mee. Hoewel ik zelf nooit in Palestina ben geweest, voel ik me daardoor wel een Palestijn. Toen de oorlog in Syrië in 2011 begon, voelde het dan ook niet als mijn oorlog.
Damascus werd door de oorlog nog meer opgedeeld in tweeën, het oosten en het westen. In het westelijke gedeelte woonden veel mensen die de overheid steunden. In het oosten woonden de mensen die tegen Assad waren. In de praktijk betekende dit dat het westen veilig was, maar het oosten niet.
Er vielen veel bommen in het oosten, eten en water was er schaars. We vluchtten, net als veel mensen, naar het westen van Damascus. Maar ja, ons hele leven was in het oosten. Ons huis, ons werk. In West-Damascus kenden we niemand. We vonden er wel een huurhuisje, maar dat was eigenlijk te duur. De verhuurders konden vragen wat ze wilden, want veel mensen vertrokken naar West-Damascus.
Palestijnen in Syrië:
Na de Nakba in 1948, het begin van de stichting van Israël, vluchtte een deel van de verdreven Palestijnen naar Syrië. Daar werden ze opgevangen in verschillende kampen, waaronder het Yarmouk kamp in het zuidoosten van Damascus. In Syrië kregen Palestijnen verschillende rechten, zoals toegang tot onderwijs, werk en gezondheidszorg. Generaties Palestijnen groeiden op in Syrië. Voor de oorlog telde de UNRWA zo’n 526.000 Palestijnen in het land. Zo’n 120.000 daarvan vluchtten vanaf het begin van de burgeroorlog, waarvan een deel als vluchteling in Europa belandde.
Door de oorlog werd alles onzeker en op een gegeven moment was ik er klaar mee. Ik dacht: ‘Waarom ben ik hier? Dit is niet mijn land’. Ik vertelde mijn vader dat ik weg wilde uit Syrië. Hij vond dat goed, mits ik twee van mijn zusjes mee zou nemen. De één was toen 20 jaar en de ander 13. Ze waren nog samen met ons in Syrië, mijn andere zussen woonden toen al in het buitenland. Eigenlijk vond ik dat wel moeilijk, ik had daardoor de verantwoordelijkheid over mijn zusjes terwijl de route naar Europa wel heel gevaarlijk is. Je gaat de grens over zonder de juiste papieren, dat is altijd gevaarlijk.’

De tunnel
‘Ik vluchtte in 2014, te midden van de oorlog. Onderweg heb ik van alles gezien. We gingen bijvoorbeeld door gebieden van al-Qaida. Van de hele reis naar Nederland was de weg binnen Syrië het meest gevaarlijk. Je ziet mannen in grote Toyota pick-up trucks met geweren en vlaggen.
Ik heb zelf een Islamitische achtergrond, maar ik ben niet zo streng met het geloof. Een vriend zei tegen mij: ‘Als ze bij een controlepost aan je vragen hoeveel keer per dag je bidt, dan moet je zeggen dat je dat vijf keer per dag doet. Anders maken ze je zo af’. Voor mijn zussen kreeg ik ook speciale kleding. Ze moesten zich helemaal in het zwart kleden.
Het moeilijkste moment was bij de Turkse grens, waar ik mijn jongste zusje een hele tijd kwijt was. Diep in de nacht moesten we de grens oversteken. Ze hadden onder de grens een soort tunnel gemaakt waaronder je naar Turkije kon lopen. Het was donker en er waren heel veel mensen die wilden vluchten, iedereen was al moe en geïrriteerd.
Ik zei tegen mijn zusje dat zij eerst moest gaan en dat ik dan achter haar aan zou komen. Aan het einde van de tunnel was ik over de grens, maar ik zag helemaal niemand. Ik riep haar, maar ik kreeg geen reactie. Ik deed de flits van mijn telefoon aan, maar ik zag haar nog steeds niet.
Er kwamen mensen die mij vertelden dat ik mijn flits uit moest doen, anders zou de Turkse politie ons pakken. Ze vertelden dat ik door moest lopen naar een parkeerplek waar bussen klaarstonden. Daar zou ik mijn zusje weer zien. Maar op het busstation was het druk, dus we konden haar niet vinden. Pas een paar uur later kwam er iemand naar mij toe die mij vertelde dat hij mijn zusje had gevonden. Ze was in een andere bus naar Antalya gestapt een paar uur verderop.’
In Belgrado belde ik de familie van mijn moeder in Kosovo. Ze zeiden: Je hebt de kans om naar West-Europa te gaan, dus doe dat dan ook. Hier is geen werk, kom hier niet naartoe
Zeyad over zijn reis door Europa
Familie in Kosovo
‘Via de Turkse kustplaats Izmir zijn we doorgegaan naar Griekenland. We gingen in een rubberbootje van ongeveer zes meter lang, met honderd personen. Het was ‘s nachts een half uurtje varen naar het eerste Griekse eiland. Op dat Griekse eiland werden we ingeschreven en kregen we de keuze om in Griekenland te blijven of om verder te reizen.
In eerste instantie vond ik het prima om daar te blijven. Ik zocht alleen een veilige plek en het land was prima. Toch besloten we om door te reizen. Het werd mij duidelijk dat je in Griekenland als vluchteling helemaal geen hulp krijgt. Je moet alles zelf regelen en de taal zelf leren. Dat vond ik wel een beetje moeilijk. Op dat moment had ik nog wat geld, maar voor hoe lang? Ik moest dan wel werk vinden in Griekenland. Een land waar ik de taal niet sprak en waar niemand mij kon helpen.
We reisden verder zonder een plan. Met de bus en de trein kwamen we steeds verder in het noorden terecht. Eerst naar Macedonië en daarna verder naar Servië. Dat ging allemaal best wel makkelijk, we werden niet echt tegen gehouden. In Belgrado belde ik familie van mijn moeder die nog steeds in Kosovo woont. Daar wilde ik best naar toe, maar zij vertelden mij dat ik door moest reizen. Ze zeiden: Je hebt de kans om naar West-Europa te gaan, dus doe dat dan ook. Hier is geen werk, kom hier niet naartoe.’
Azc in Weert
‘Alleen in Hongarije was het moeilijk om de grens over te steken, dat was de grens met de EU. Veel mensen werden teruggestuurd naar Servië. Daarom hadden we contact met mensen bij de grens die een veilige route wisten naar Hongarije. Tenminste, als je genoeg geld neerlegde.
Onze reis door Europa leidde ons naar Duitsland, waar we een week bleven. Maar de asielprocedure daar zou heel lang duren en gezinshereniging in Nederland was sneller. Bij aankomst in Nederland dacht ik: Wauw, ik heb nog nooit zo’n schoon land in mijn leven gezien. Alles stond op de juiste plek, de straten waren mooi.
Hier werden we doorgestuurd naar Ter Apel, waar het heel druk was. We moesten buiten op het gras slapen. De volgende dag gingen we met de bus naar Weert, helemaal in het zuiden. De eerste zes maanden was dat moeilijk. We sliepen in een hele grote zaal, met 25 vrouwen en mannen samen. Iedereen wilde wat anders: de een wilde slapen, de ander roken of kaarten, weer een ander op de telefoon. Het was zo slecht dat ik zelfs nog heb geprobeerd om naar België te gaan, maar die zagen dat ik in Nederland was ingeschreven en hebben mij teruggestuurd.
Ik ben toen toch maar teruggegaan naar Weert. Waar het overigens wel beter werd. We kregen een kamer voor ons drieën en we zijn naar school gegaan. Na een jaar kregen we een verblijfsvergunning en verhuisden we naar Sassenheim. Hier kregen we veel hulp van onze buren en van vluchtelingenwerk. We vroegen gezinshereniging aan en mijn ouders kwamen twee jaar later naar Nederland.’
Ik mis Syrië helemaal niet, ik heb daar helemaal niemand meer
Zeyad over een eventuele terugkeer
Thuis
‘In Sassenheim ben ik ook vrij snel op zoek gegaan naar werk. Ik heb eerst als afwasser in een café gewerkt, en vanuit daar ben ik verder gaan zoeken. Dat was wel lastig zonder Europees diploma, maar in 2018 werd ik aangenomen voor een opleiding bij de NS. Daar werk ik nu als monteur.
Mijn jongste zusje studeert aan de Universiteit van Leiden in de chemie. Mijn andere zusje doet ook een opleiding aan die universiteit, maar dan in de internationale handel. Samen wonen ze in Hillegom. Voor mijn ouders is het integreren wat lastiger. Mijn vader is bijna 80, de taal leren is voor hem heel moeilijk. Hij mist Syrië wel. Altijd als ik met hem een bakkie ga doen, kijkt ie het Syrische nieuws. Hij belt ook nog vaak met zijn vrienden in Damascus.
Ik mis het land helemaal niet. Ik heb wel een Syrische vrouw, maar ik ben eerlijk met haar geweest. Ik wil niet meer terug. Ik heb daar helemaal niemand meer, iedereen is gevlucht. Samen denken we eraan om te verhuizen. Waar we naartoe gaan, dat weten we nog niet. Hier in Sassenheim is niks te betalen. Zelfs met twee inkomens kunnen we niks kopen. Inmiddels voel ik me wel thuis in Nederland. Zeker als ik terugkom van vakantie, dan heb ik echt het gevoel: nu ben ik thuis. Ik heb hier mijn leven, werk en huis. Alles is hier.’




![[VIDEO] Leerlingen Fioretti Lisse herinneren Beatles-optreden in Hillegom met eigen uitvoering: ‘Het was echt geweldig’](https://www.bollenstreekomroep.nl/wp-content/uploads/2026/06/maxresdefault-4-218x150.jpg)


















