Hillegom – Plannen voor de herinrichting van het Henri Dunantplein zijn donderdag beeldvormend gepresenteerd aan de raad. Volgens de ontwikkelaar zijn er mogelijkheden voor ongeveer 100 extra woningen op deze plek. Er zijn ook plannen voor het zuidelijk gedeelte van het plein, tot aan de Albert Heijn, voor extra bomen en betere hangende verlichting boven het plein. Auto’s zullen zoveel mogelijk geweerd worden.

Het plan moet het centrum aantrekkelijker maken voor bezoekers en ondernemers. Het wil ook meer interactie tussen het plein en de Hoofdstraat aanmoedigen. In de motie van juni 2023 had de meerderheid van de raad wethouder De Jong al tot spoed opgeroepen. Het Dunantplein verdient een update om Hillegom aantrekkelijker te maken voor bezoekers en winkeliers.

Het plan moet nog in de gemeenteraad besproken worden.

5 REACTIES

  1. Gaan we daar ook weer 25 jaar over praten en dan te horen krijgen dat het niet doorgaat 🙁
    En auto’s weren is al helemaal geen goed plan, dan komt er helemaal niemand meer en het
    zijn er al zo weinig !

  2. Hillegom kan zeker wel een opfrissing gebruiken! Liddle erbij super goed plan! Auto’s weren is het slechtste plan ever om het aantrekkelijk te houden voor de ondernemers. Iedereen wil even snel een boodschap kunnen doen en z’n auto kwijt kunnen.
    Kijk maar bij het stukje voor de houttuin; zijn ook zoveel parkeerplekken verdwenen; is toch een drama voor de ondernemers die daar zitten als je even snel een paar blikken verf willen halen of je broek die korter is gemaakt wilt ophalen …

  3. En waar mogen de minder valide mensen heen? Er is al zo weinig mogelijk voor deze groep. Al 25 jaar weet de politiek dat Nederland, overigens de rest van de wereld ook, er een vergrijzing gaande is. Ik ben 65, minder valide. Waar de politiek ook het thuis wonen wil stimuleren. Hoe dan? Ik kan straks de deur niet meer uit. Top! We krijgen geen invalide parkeerplaats of parkeer kaart, tenzij we direct omvallen bij het naar buiten lopen met rollator. Die overigens, doorlopend opgetild moet worden over alle drempels, stoeptegels die niet vlak en aangesloten liggen. Goed voor de zakken van de gemeente, wanneer zij niet hoeven uit te keren, te regelen. Het kost ze slechtst een stukje papier, met een plastic hoesje eromheen. Dus ook slecht voor de lokale ondernemers, laat staan daarbuiten. Een Lidl? Er is een Aldi. Een lidl kan prima naast de Kwantum of zo. Ruime parkeergelegenheid mogelijk. Overigens, Hillegom is mooi dankzij dat kleine stukje park rond het gemeentehuis. En waar gaat dit verhaal over? Projectontwikkelaars, die het geld boven leefbaarheid en natuur plaatsen. En de gemeente uiteraard ook.

  4. Mooi toch 100 woningen in het binnenstedelijk gebied terwijl er in het flexplan staat dat er geen ruimte meer is voor binnenstedelijk bouwen??. Het scheelt weer op de voorgestelde 400 zogenaamde 400 flexwoningen in het buitengebied. Spaart open ruimte rondom de stedelijke kernen. Behoudt het contrast tussen (hoog)stedelijke gebieden en een omgeving met groen en water – een Unique sellingpoint van Nederland. Geeft de kans om kwetsbare wijken te versterken en om noodzakelijk onderhoud te
    koppelen aan nieuwe ontwikkelingen. Afhankelijk van de aard van het gebied
    kan het wel degelijk een goede keuze zijn om woningen te bouwen in het buitengebied. . Niet elk landschap is van hoge kwaliteit. Het is voor bestuurders en beleidsmakers echter goed zich te realiseren dat ruimtelijke ordening veel meer omvat dan wonen, denk aan ruimte voor werken, infrastructuur, natuur, landbouw, water, recreatie en energie. Wordt er ook gedacht aan aanvullende strategieën en mogelijkheden voor woningbouw: Beter benutten van leegstaande kantoren en andere utiliteitspanden door transformatie naar woningen.
    – Benutten van vakantieparken als permanente woonlocaties.
    – Beter benutten van bestaande woningvoorraad door splitsing. Dit kan overigens in
    sommige stedelijke wijken negatieve effecten hebben op de leefbaarheid (denk aan
    geluidsoverlast en parkeerproblemen).
    – Beter benutten van de bestaande woningvoorraad door woningdelen te stimuleren.
    Dit vergt wellicht aanpassingen in het fiscale regime / de voorwaarden rond uitkeringen en AOW: samenwonen zou beloond moeten worden in plaats van ontmoedigd. Het bieden van meer mogelijkheden voor collectief wonen (eventueel inclusief het
    delen van voorzieningen) sluit aan bij een deel van de vraag.
    – Aantrekkelijker maken voor empty nesters om te verhuizen, waardoor hun eengezinswoning beschikbaar komt voor jonge gezinnen. Nu betekent voor veel oudere
    huishoudens, vooral de huurders, verhuizen vaak dat ze naar een kleiner huis gaan
    voor meer geld en dat is geen aantrekkelijke propositie
    – Toevoegen van flexwoningen (woningen waarbij het gebouw, de locatie of de bewoner een tijdelijk karakter heeft) aan de woningvoorraad. Groot et al. (2020) hebben
    hiervoor een ruimtelijk afwegingskader uitgewerkt dat de grenzen weergeeft waarbinnen de keuze voor een locatie voor flexwonen kan worden afgewogen.7
    – Meer mogelijkheden bieden aan woningcorporaties om ook de middenhuursector te
    bedienen (de mogelijkheden van corporaties zijn beperkt door de verhuurdersheffing).
    Is er een ruimteprobleem in de stad of zijn er (on)(der)benutte mogelijkheden. Hoewel er zeker problemen zijn, berusten sommige beweringen op misverstanden. Omdat
    deze een goede gedachtewisseling in de weg staan wordt soms gesuggereerd dat nieuwbouw binnen de stad problematisch is. Misverstand 1: Mensen willen niet in de stad wonen. Zelfs jonge gezinnen willen dit
    in meerderheid wel. Niet niet willen wonen in de stad, maar er niet kunnen wonen is
    de belangrijkste kwestie.
    ▪ Misverstand 2: Stedelijk wonen betekent wonen in hoogbouw. Voor een zuivere discussie moeten de variabelen ‘dichtheid’ en ‘woningtypen’ van elkaar worden onderscheiden. Ook in hogere dichtheden zijn diverse woningtypen mogelijk, denk aan
    grondgebonden rijtjeshuizen, gesloten bouwblokken, hofjes en hoogbouw (zie voorbeelden in de fotoserie). Wanneer in bestaand stedelijk gebied te weinig ruimte
    wordt geboden aan grondgebonden woningtypen, dan zou dáár de discussie vooral
    over moeten gaan in plaats van de locatiekeuze van woningbouw.
    ▪ Misverstand 3: Er is niet voldoende plek in de stad. Dit is maar zeer de vraag; voor
    een belangrijk deel is dit een (politieke) keuze. Fysiek kan er veel. Nabielek et al.
    PBL | 13(2012) en Van Duinen et al. (2016) hebben laten zien dat er veel on(der)benutte terreinen en structureel leegstaande kantoren en winkels zijn waar ruimte kan worden
    geboden aan woningbouw.
    ▪ Misverstand 4: Binnenstedelijk bouwen duurt te lang. Alhoewel het zonder veel twijfel zo is dat binnenstedelijke locaties complexer zijn en meer manuren vergen (afweging meer belangen; minder serieproductie), moeten we in dit verband geen
    wonderen verwachten van het alternatief: de ontwikkeling van uitleglocaties. De
    doorlooptijd van Vinex-uitbreidingswijken was soms meer dan 20 jaar.
    ▪ Misverstand 5: Binnenstedelijk bouwen is te duur. Binnenstedelijk bouwen is duurder
    dan het ontwikkelen van uitleglocaties. Dit heeft vooral met de centralere ligging te
    maken. Hierdoor zijn de grondexploitatiekosten gemiddeld hoger, vooral de grondverwervingskosten en de plan- en proceskosten. Daartegenover staan evenwel de
    hogere grondopbrengsten op binnenstedelijke locaties. Als we dit tegen elkaar wegstrepen dan liggen de winstmarges op binnenstedelijke locaties over het algemeen
    lager dan bij uitleglocaties. Echter, exploitatiesaldi zijn niet per se negatief. De literatuur laat zien dat positieve business cases zonder meer mogelijk zijn.
    Het is van belang om hierbij op te merken dat binnenstedelijke ontwikkelingen in
    veel gevallen kunnen aansluiten bij bestaande voorzieningen en infrastructuur, terwijl die bij uitleglocaties grotendeels nog aangelegd moeten worden (denk aan
    nieuwe treinstations en light-railverbindingen). Dit zijn kosten die niet zijn terug te
    zien in de grondexploitatie, maar die uiteraard wel worden gemaakt om de ontwikkeling tot stand te brengen.
    Tot slot is het van belang om onderscheid te maken tussen ‘duur’ in financiële en
    maatschappelijke zin (zie de eerdere opmerking hierover). Dan zou binnenstedelijk
    bouwen wel eens beter uit de bus kunnen komen. Een eerdere maatschappelijke kosten-batenanalyse laat zien dat binnenstedelijke ontwikkelingen een groter maatschappelijke rendement hebben dan de ontwikkeling van uitleglocaties. Als hogere dichtheden worden toegepast, dan kan er nog veel meer binnen de bestaande stad worden gebouwd, ook in de regio’s met hogere druk op de woningmarkt. De vraag in welke dichtheden te bouwen in de toekomst is een vraag naar goede planvorming en goed ontwerp. In het Hoge scenario concentreert de bevolkingsgroei zich in de Randstad. Ongeveer 70
    procent van de totale bevolkingsgroei vindt daar plaats. De belangrijkste factor hierbij is de
    natuurlijke aanwas, vanwege de jonge leeftijd van de bevolking; deze bepaalt ruwweg de
    helft van de groei van de Randstad. Binnenlandse en buitenlandse migratie bepalen samen
    de rest, en zijn daarmee ook belangrijk. Ondanks de aantrekkelijkheid van de Randstad en
    de negatieve natuurlijke aanwas noteert ook Overig Nederland een toename van de
    bevolking. Dit komt vooral door de buitenlandse migratie. De concentratie in de Randstad
    vindt het sterkst plaats voor 2030, daarna zwakt de concentratietendens af. Knellende
    woningbouwmogelijkheden in bepaalde gebieden in de Randstad spelen hierbij een rol
    (waardoor men ‘uitwijkt’), evenals het afnemende aandeel jongeren (dat naar de Randstad
    trekt). Kortom bezint eer ge begint en vergeet daarbij ook niet te kijken naar betaalbare woningen i.p.v. alleen naar de geldverslindende projectontwikkelaars en opdrijvende grondprijzen zodra het buitengebied verkocht kan worden als bouwgrond.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Plaats hier je opmerking
Vul je naam in